icon-share icon-external icon-chevron icon-arrow icon-list icon-location icon-navigate Sluiten facebook twitter linkedin whatsapp instagram youtube search cloud fog sun light snow rain Locationv2 save icon-chevron-left icon-chevron-right Chat icon-walking-time
Roma & Sinti herdenking

“Mijn oma keerde als enige van haar familie terug naar Den Haag”

Bewaren

Helena Franchimont is een van de Haagse vrijheidsambassadeurs. Haar oma ook wel mamie, Theresia Crasa Wagner werd op 16 mei 1944 met haar familie via Kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. “Ze keerde als enige van haar familie terug naar Den Haag. Het was de afspraak dat ze na de oorlog allemaal terug zouden keren.” Helena vertelt het verhaal van haar oma, dat ook als boek is verschenen en vind het belangrijk om ook te benadrukken dat niet alleen Joodse mensen om zijn gekomen in de oorlogsjaren.

Helena Franchimont 75 jaar Vrijheid Den Haag
Foto: Helena Franchimont, Vrijheidsambassadeur, fotograaf Arnaud Roelofsz

“Mijn oma is geboren op 17 december 1927 in Berlijn. Haar vader kwam in 1936 ten oren kwam dat de jacht op de Sinti en Roma, of Zigeuners zoals ze in de volksmond ook wel werden genoemd, opende. Hij vluchtte met zijn gezin de woeste bergen in. Om het dreigende gevaar te ontlopen moesten ze alles achterlaten. Met alleen de kleren die ze droegen, bereikten ze in 1938 veilig Nederland.” De familie kwam terecht in Den Haag en betrok in 1942 een huis aan de Veenkade. “In die straat woonden veel Zigeuners en mijn overgrootvader wilde daar zijn,’’ gaat Helena verder. “Alle zigeuners mochten toen niet meer rondreizen. Op 16 mei 1944 werd mijn overgrootvader ‘s ochtends vroeg wakker, omdat er op de deur werd gebonsd. Hij deed de deur open en er stonden allemaal Hollandse politieagenten met geweren die hen uit de huizen sleurde.” Uit de memoires van haar oma weet Helena: “In de straat aan de overkant, bij de Bierbrouwerij, werden ook veel mensen uit hun huizen gehaald. De Veenkade was de laatste die werd ‘schoongeveegd’.”

Papieren

“Ze moesten allemaal mee naar het politiebureau aan de Mauritskade,’’ gaat Helena verder. “Mijn oma herinnerde een meneer Vlak. Hij zei tegen hen dat ze hun papieren moesten afgeven, omdat hij die even goed moest nakijken. Daarna zouden ze gelijk weer naar huis mogen. Maar in plaats daarvan werden ze ‘s avonds in afgesloten vrachtwagens naar het Staatspoor gebracht.” Daar stonden allemaal treinen klaar. “Geen veewagons maar gewone treinen,’’ citeert Helena haar oma. “Toen ze in de trein zaten vroeg mijn overgrootopa aan de Hollandse politieagenten: “waar brengen jullie ons nou naar toe?” Het antwoord luidde dat ze alles eens even goed na moesten kijken en over twee dagen weer thuis zouden zijn. Ze hadden geen idee wat er met hen zou gebeuren.”

Kaal

In de trein zaten alleen Zigeuners in de herinnering van Helena’s oma. “Het was alles wat er destijds in Den Haag woonde. Ze gingen direct van Den Haag naar Westerbork. Pas toen ze daar aankwamen ging de deur van de trein weer open. Onderweg zat er zwart papier voor de ramen. Ze mochten niet naar buiten kijken.” De Duitse militairen kregen van de Hollandse politie een boek overhandigd. “In dat boek stond alles over de groep opgepakte Haagse Roma en Sinti zoals met hoeveel mensen ze waren. Bij aankomst in Westerbrok werden ze een voor een kaal geknipt en moesten ze zich wassen. Op de derde dag dachten ze nog dat ze naar huis gingen. Maar toen werden ze in veewagons geduwd en begon de weg naar Auschwitz.

Dokter Mengele

“Mijn oma heeft van 21 mei tot eind augustus 1944 in Auschwitz gezeten. Begin augustus werden kampgenoten weer door dokter Mengele uitgezocht,’’ refereert Helena naar het verhaal van haar oma. “De mannen en de werkkrachten, daar zat mijn oma ook bij, werden weggestuurd. De oude mensen en kleine kinderen moesten achterblijven. Mijn overgrootoma en mijn oma’s broertje en zusjes bleven achter.” Alle meisjes van 14/15 en ouder werden opgeroepen om bij dokter Mengele te komen. “Die heeft hen toen naar Birkenau teruggestuurd. Na een paar dagen werden ze op transport gezet. Vanuit Birkenau moesten ze de treinen in. Het was ook het moment dat mijn oma haar vader voor de laatste keer zag, bij het afkoppelen van de trein. Mijn overgrootvader ging naar Buchenwald en mijn oma met veel andere vrouwen, naar Ravensbrück. Alle Zigeunermannen zijn toen weggevoerd.”

Witte Engel

“Mijn oma was de enige van haar familie die van Auschwitz naar Ravensbrück ging. Ze was helemaal alleen! In Ravensbrück heeft ze alleen maar Zigeuners gezien en het leven was daar volgens haar heel slecht. Zo moesten ze de hele dag blijven staan en kregen ze op de sodemieter van SS-vrouwen. Er waren meer SS-vrouwen als SS-mannen! En ze hadden allemaal honden.” Helena kan het verhaal van haar oma dankzij het boek goed navertellen. “Om zes uur moest iedereen de barak uit om op appèl te staan. Rond een uur of acht kwam de Witte Engel van Ravensbrück. Zij gaf de orders en opdrachten en gaf er met knuppels van langs. Ze was hen altijd aan het slaan.” Haar oma herinnerde ook nog een situatie in Leipzig waar mensen door ramen heen van bovenaf op de appèlplaats werden gegooid. “Mamie zei over de doden die ze zag: “In het begin was het verschrikkelijk als je dode mensen zag. Maar op den duur word je erg hard. Natuurlijk vind je het erg als je mensen naar beneden gegooid ziet worden, en half dood huilend blijven liggen, maar je denkt “ik wil dat mij dit niet over komt”.” Mijn oma wist toen niet dat haar ouders ook al dood waren want ze zei later “anders had ik misschien zelf ook niet meer de kracht gehad om in leven te blijven.”

Afspraak

“Mijn oma heeft vaak gedacht aan een afspraak die ze als familie hadden gemaakt. Na de bevrijding zouden ze allemaal teruggaan naar Den Haag om elkaar daar weer te zien. Na de oorlog had ze ook naar andere landen toegekund, maar ze wilde per se terug naar Den Haag. Dat was de afspraak. Van de hele familie is ze de enige die teruggekomen is. Een broer van haar is een tijd ondergedoken en heeft de oorlog ook overleefd. De rest van haar familie heeft ze nooit meer teruggezien. Voor de oorlog waren ze met veertien. Vader, moeder acht meiden en vier jongens. Nooit meer heeft ze iets van hen gehoord.”

 

Het verhaal van Helena’s oma is te lezen in het boek Me hum Sinthu.