icon-share icon-external icon-chevron icon-arrow icon-list icon-location icon-navigate Sluiten facebook twitter linkedin whatsapp instagram youtube search cloud fog sun light snow rain Locationv2 save icon-chevron-left icon-chevron-right Chat icon-walking-time
Monumenten

De Groene Valck

Noordeinde 165, 2514 GG Den Haag
Bewaren
Toegang
Gratis
Bewaren

Wie het gezellige en bruisende Noordeinde met de vele winkels en galerieën uit wandelt, ziet aan het einde van de straat aan de rechterkant de voormalige herberg De Groene Valck. Jarenlang was dit de naam van het statige pand op Noordeinde 165, waar sinds 1630 eten, drinken en vertier aan de orde van de dag zijn.

Het is bijna niet voor te stellen, maar op de kop van het Noordeinde hield ooit de stad op. Hier lag de noordelijke toegangspoort tot Den Haag. Scheveningse vissersvrouwen trokken hier doorheen om hun vis te verkopen op de markt voor het Oude Stadhuis. Zij legden – vaak te voet – grote afstanden af door het duinzand en over de Zandslag, die nu Zeestraat heet. Als ze terug gingen, namen ze turf mee.

Scheveningseveer
Vanuit Scheveningen moest je het water over om de stad in te kunnen. In 1681 was hier al een ophaalbruggetje over de singelgracht. Een koetsdienst bracht reizigers van Den Haag naar Scheveningen: díe werd het Veer genoemd. De naam van het stukje straat waar het Noordeinde op uitkomt, Scheveningseveer, herinnert daar nog aan.

Herberg uit 1630
Hier op de hoek staat een van de oudste herbergen van Den Haag, die bij oprichting De Groene Valck ging heten. Het lage deurtje aan de kant van het Scheveningseveer is de ingang naar wat nog niet lang geleden de Prinsekelder heette. Boven dit deurtje staat het jaartal 1630, toen de herberg haar deuren opende, maar al in 1592 is in documenten voor het eerst melding gemaakt van dit pand. Otto van Steensel kocht de grond aan de beek aan voor de bouw van twee huisjes. Het waren aanvankelijk woonhuizen, totdat in 1630 voor het eerst herberg De Groene Valck in een akte opduikt. Boven de deur is later een beeld van een prins op een paard aangebracht, met op zijn schild een groene valk.

Drukke zaak
De zaak moet goed gedraaid hebben, zeker toen in 1653 de verbinding met Scheveningen stukken beter werd door de aanleg van de Scheveningse Zeestraet, die later de Scheveningsweg ging heten. Aan de kop van het Noordeinde stonden de wagens te wachten die passagiers tussen de Haagse markt en de vissersplaats vervoerden. De koetsiers en de reizigers hadden wel behoefte aan een hapje en een slokje.

Oorspronkelijke staat
Later werd het Noordeinde statiger, met grotere panden in een aaneengesloten rij. De Groene Valck kreeg aan de westkant aan het Scheveningseveer gezelschap van nog zes huizen, waarin onder andere een hoefsmid huisde. Bij een verbouwing in 1831 werden er in de gevel nieuwe ramen en deuren geplaatst. Voor in het pand kwam een grutterij. Die verdween later om weer plaats te maken voor een eet- en drinkgelegenheid.

De Kleine Witte
In 1881 werd De Groene Valck omgedoopt in De Kleine Witte. Dit verwijst waarschijnlijk naar de ‘grote’ Witte, de herensociëteit die aan het Plein in de binnenstad nog steeds gedijt. Koetsiers die daar een klant naar toe hadden gebracht, konden bij De Kleine Witte onder het genot van een versnapering wachten tot ze hun passagier weer konden ophalen. De eigenaar was toen A.J. Prins, wiens nazaten de horecagelegenheid nog tot recent hebben gedreven onder de naam Taveerne De Prins. Een van hen, Pieter, liet het etablissement restaureren.

Toen prinses Juliana zich in 1936 verloofde met Prins Bernhard, was dit de ideale locatie voor een uitbundig feest. Zó uitbundig zelfs dat de 300 jaar oude binten gingen kraken en er opnieuw een architect aan te pas moest komen om een restauratie uit te voeren. Hiervoor werd Co Brandes aangetrokken. Het huidige gebouw is dus een meermalen verbouwd en gemoderniseerd.

Beelden van Dirk Bus
De voorgevel is daarna aangepakt door H. Lelie, die beelden liet aanbrengen tegen de gevel aan het Scheveningseveer, gemaakt door de Haagse beeldhouwer Dirk Bus (1907-1978). Ze herinneren aan de band van de herberg met het vissersdorp: we zien een visser in oliejas met een zuidwester op zijn hoofd en een vis als vette buit in zijn hand, en een vrouw met haar kindje op haar arm, uit turend over zee en wachtend op de boot met aan boord haar man en de vangst. Aan de Noordeinde-zijde dobbert een zeilboot op de gevel. Met zulke verwijzingen is Scheveningen nooit ver weg.